Tussen 1927-1988 de ophaalbrug in Duivendrecht noord over de Weespertrekvaart richting Amsterdam.
Tussen 1927-1988 de ophaalbrug in Duivendrecht noord over de Weespertrekvaart richting Amsterdam. Archief Stichting Oud-Duivendrecht

Duivendrecht: een dorp in een stad (2)

2 januari 2022 om 09:00 Historie

DUIVENDRECHT Veel van de grootschalige uitbreidingsplannen in Duivendrecht van de vorige eeuw zijn gevoed door de groeiwensen van Amsterdam. De oorspronkelijke kleinschaligheid en de losse informele structuur van Duivendrecht dreigde verloren te gaan, maar….. het dorpse karakter bleef.

De Oud-Duivendrechters en de nieuwkomers voelden zich wel degelijk bewoners van een dorp en niet van de stad. Het speelde zeker mee dat markante dorpse elementen nog ter plekke zichtbaar waren en dat men zich eenvoudig bij dorpse scholen en verenigingen kon aansluiten. In het interbellum zorgde de bouw van forensenwoningen langs het lint voor een veranderend architectonisch beeld. De verdere verstedelijking in en om Duivendrecht heeft het dorp qua sfeer tweeslachtig gemaakt: dorp en stad tegelijk. Een spannende mix van stad en platteland. Een rustig groen dorp met een grote stad om de hoek.

VERSCHUIVING DORPSCENTRUM In 1846 telde het dorp Duivendrecht 500 inwoners die in 76 boerderijen en huizen woonden. Het uitgestrekte landschappelijk gebied van het dorp, dat tot na de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan, is ‘in vogelvlucht’ nog altijd herkenbaar als een lintbebouwing langs de oude uitvalsweg van Amsterdam, de voormalige Rijksstraatweg. Langs die eeuwenoude ‘droge’ weg in het veen ontstond het dorp. Overblijfselen van die landschappelijke periode: een paar boerderijen, kerken, pastorie, d’oude school en schoolmeesterhuis zijn op het nippertje mede dankzij de Stichting Oud-Duivendrecht (opgericht 4 juni 1998) beschermde monumenten geworden. Tot genoegen van de oude inwoners van Duivendrecht en bovenal gewaardeerd door de nieuwkomers in het dorp. Duivendrecht heeft – ondanks het feit dat het een infrastructureel knooppunt is -nauwelijks een functie voor zijn grootstedelijke omgeving - anders dan woonplaats. Aan het zuideinde van het bebouwingslint is in 1877 een grote Rooms-Katholieke Kerk opgericht. Deze omgeving werd het eerste dorpscentrum, waar mensen uit de wijde omtrek heen kwamen. Tussen 1897 en 1938 lag ten zuidoosten aan de Zwartelaan/Diemerlaan een halteplaats aan de spoorlijn Utrecht – Amsterdam Weesperpoort Station. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw zijn woonblokken aan het noordelijke deel van de Rijksstraatweg gebouwd, voornamelijk om de bevolkingsgroei van Amsterdam op te vangen, omdat daar minder bouwgrond beschikbaar was. Daarmee verschoof het zwaartepunt naar het noorden, bij de Duivendrechtse brug.

DORPSGEMEENSCHAP Deze ontstond pas toen de eerste middenstanders zich hier kwamen vestigen in de jaren dertig. Er werd op kleine schaalblokjes huizen gebouwd en na de uitbreiding van het aantal dwarsstraten aan de Rijksstraatweg schoot het bevolkingsaantal omhoog tot ruim duizend inwoners. Grote families van 10 kinderen waren in die tijd geen uitzondering. De dorpsgemeenschap was van begin af aan erg gericht op Amsterdam. Economisch, aangezien de middenstanders en de boeren hun producten of diensten aan Amsterdam verkochten. Sociaal, aangezien veel nieuwe dorpsbewoners uit Amsterdam kwamen en daar hun familieleden en vrienden hadden. Een echte Duivendrechtse, Netty Pieneman-de Jonge (geb. 1938) vertelde bijvoorbeeld dat haar Opa in 1935 een rijtje huizen liet bouwen in de Kloosterstraat, een van eerste zijstraten van de noordelijke Rijksstraatweg, als zorg voor zijn pensioen. Netty’s vader kwam daar ook te wonen, maar werkte op De Beurs in Amsterdam. Toch was hij lid van het Oranje Comité in Duivendrecht en maakte hij deel uit van de kascommissie van haar protestant-christelijke school. Grofweg was het dorp in tweeën gedeeld. Er was het deel ‘bij de brug’ dat doorliep tot de goederenspoorbaan. Daar waar nu de busbaan ligt. Na die spoorbaan liep de Rijksstraatweg helemaal door tot ‘achter in het dorp’. Binnen die twee buurten kenden de mensen elkaar redelijk goed, tussen de buurten kenden de mensen elkaar wat oppervlakkiger. Onder de leerlingen van de katholieke en de protestantse school was er veel rivaliteit. Er waren meer katholieke winkeliers in Duivendrecht dan protestantse, dus moesten er soms wel door protestanten boodschappen gedaan worden bij een katholiek, hoewel ze dat liever niet deden.

CULTUUR In de jaren 1930-1950 werd ook het culturele leven vanuit de kerk bepaald en was daardoor ook verzuild. Een zondagsschool, houtsnijclub en een naaikrans, een mannenkoor(opgericht in 1920), een kinderkoor ‘Klein, maar dapper’ maakten gebruik van de consistoriekamer. Katholieke verenigingen repeteerden in het Willibrordusgebouw, aan het einde van de Rijksstraatweg. Het fanfarekorps van St. Gregorius ging bij de katholieke activiteiten altijd voorop, en met Koninginnedag liep heel Duivendrecht achter het korps aan. Dit fanfarekorps was in 1923 opgericht. Vanaf het begin kon ook de jeugd meedoen, en in 1965 kwam er ook het corps voor de tamboers bij, voor de jeugd. Hiernaast was er natuurlijk ook een katholiek mannenkoor, aangevuld met jongen sopraanstemmen. Zij traden tijdens de hoogmis en andere kerkelijke hoogtepunten op. De katholieke kerk in Duivendrecht had ook een afdeling van de graalmeisjes, die zich als leken inzetten voor de verbetering van de wereld. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig ontstonden steeds meer initiatieven: o.a. hobbyclubs, kleuterballet, een toneelgroep en sociëteiten. In het Willibrordusgebouw werden danslessen gegeven voor jongeren en voor echtparen. En op de dansavonden aldaar kwamen naast de eigen Duivendrechtse jeugd ook jongelui uit de omliggende dorpen samen.

SPORT De katholieken hadden de voetbalvereniging ODA (Op doel af) en turnvereniging DOS (Door oefening sterk). Helaas was er geen gymlokaal met attributen in Duivendrecht en voor veel meisjes was het gevaarlijk om naar Betondorp te gaan omdat ze de autoweg tussen Amsterdam en ‘t Gooi moesten passeren. In Duivendrecht werd bij de neutrale vereniging Tavenu gehandbald en gevoetbald. In 1970 ontstond uit die verenigingen de voetbalclub CTO ‘70, een combinatie van Tavenu en Oda. Naast de lokale sportverenigingen was er rond de jaren dertig een wielerbaan in Duivendrecht: de Vekabaan. Als daar wedstrijden werden gehouden kon de middenstand van Duivendrecht rekenen op extra inkomsten: er kwam een hoop publiek op af. Gedurende de oorlog was het lastig om het verenigingsleven in stand te houden. Dit kwam onder andere wegens bezuiniging op energieverbruik en voor bijvoorbeeld de naaikrans door tekort aan materialen. Na de oorlog bloeide het verenigingsleven echter op als nooit tevoren. In Duivendrecht was scouting een katholiek initiatief: de jeugd van de scouting kwam samen in het ‘horde hol’ op het land achter de pastorie van de katholieke kerk. Na de oorlog werd in 1946 door kapelaan van der Meerleiders bijeen gezocht om de welpen, verkenners, kabouters en gidsen te leiden. De leden van de scouting mochten één keer in het jaar op kamp; het hoogtepunt van het jaar. Omdat veel ouders in de jaren vijftig nog niet op vakantie konden, was de scouting een uitkomst om de kinderen de mogelijkheid te geven een weekje weg te gaan! Diverse toenaderingspogingen tussen beide confessionele groepen op cultuurgebied voor lokale jeugd waren vruchtbaar: in 1965 sloegen alle verenigingen de handen in een om 20 jaarbevrijding samen te vieren. En in 1970 werd de Jeugdraad opgericht. Deze raad kreeg de opdracht mee de behoeftes aan clubs uit te zoeken en daar de voorzieningen voor te realiseren omdat Duivendrecht zich opmaakte voor een enorme schaalvergroting.

DEEL 3 Onder de loep in deel drie: Het lot van Duivendrecht is altijd verbonden geweest met de grootse plannen uit de jaren zestig voor de Bijlmer. Hoe de gemeente Ouder-Amstel van Duivendrecht een passende voorstad van Amsterdam wilde gaan maken, de consequenties van de onteigeningen en de reacties van de bewoners worden belicht.

Ans Quirijnen

Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie