Cintha Boersma is voormalig profvolleybalster. Ze brak door bij Martinus en speelde vervolgens bij een aantal Italiaanse clubs en in Brazilië. Met het Nederlands team won ze in 1995 het Europees kampioenschap volleybal. Ze nam deel aan de Olympische Zomerspelen in 1992 en 1996. Ze verzorgt nu volleybaltrainingen bij VVO in Ouderkerk en begeleidt jonge sporters bij het combineren van sport en studeren. Vorige kandidaat Katja Nederhoed vraagt haar: wat vind je nog steeds zo leuk aan volleybal?
Wat houdt de begeleiding van jonge sporters in?
“We helpen jonge sporters bij het verkrijgen van een scholarship in Amerika. Zo kunnen ze studeren aan een Amerikaanse universiteit en tegelijkertijd op hoog niveau sporten. Sport is heel belangrijk op Amerikaanse universiteiten. Zonder een dergelijke scholarship is het studeren aan een Amerikaanse universiteit heel prijzig. Per jaar kan het oplopen tot 60 duizend dollar. Voor studenten is het een uitgelezen kans om ervaring op te doen. Een jaar in het buitenland studeren en sporten is heel leerzaam. Je doet ervaringen op die je van pas komen in je verdere leven. Ik richt me volledig op het volleybal. Dat is in Amerika na basketbal de grootste vrouwensport en het beachvolleybal is een van de sterkst opkomende disciplines.”
Hoe heb jij sport en studie gecombineerd?
“Ik heb mijn atheneum afgemaakt en ben daarna prof volleybalster geworden in Italië. Op mijn tweeëntwintigste verhuisde ik daarheen. Er was destijds geen internet en niemand heeft me in die tijd benaderd met de vraag of ik in Amerika wilde studeren in combinatie met volleyballen. Toen ik eenmaal prof was, was dat ook geen optie meer.”
Wat is de belangrijkste les die je hebt geleerd tijdens je profcarrière?
“Je ziet vaak pas achteraf wat de sport voor je heeft betekend. Ik heb enorm veel ervaring opgedaan. Elk jaar spelen in andere landen, dat verrijkt je leven. Er zaten ook wel minder leuke jaren tussen, wanneer het minder goed liep. Dan ben je ver weg van huis en dat is niet altijd makkelijk. In zo’n geval is het een kwestie van doorgaan, hard werken en wachten op het moment dat het beter gaat. Het leukst vond ik het spelen in Brazilië. Daar was een heel andere mentaliteit dan in Italië. Als we daar een wedstrijd op zondag hadden verloren, hadden we de maandag daarna geen vrij, maar was er een straftraining. In Brazilië wordt bij verlies naar het hele team gekeken in plaats van naar fouten van een individu. Het hele team heeft verloren. En na een verloren wedstrijd hadden we geen straftraining, maar gingen we de ochtend erna werken aan de facetten van het spel die beter konden. Dat is een heel andere benadering. Zo ga je niet negatief de training in.”
Wat vind je nog steeds zo leuk aan het volleybal?
“Ik heb de sport ook een tijdje niet leuk gevonden. Ik was elke dag zes uur aan het trainen voor de sport. En dat vanaf mijn vijftiende. Ik heb de sport dan ook een tijdje links laten liggen, was het beu. Zeven jaar geleden verhuisde ik van Italië terug naar Nederland. Mijn moeder en zus zetten zich al jaren in voor VVO. De club is door mijn moeder opgericht. Zij en mijn zus verzorgden er trainingen. Mijn moeder dat doet nog steeds, mijn zusje Inge is vorig jaar overleden. Wij hebben het jeugdvolleyballen weer opgezet. In de afgelopen jaren zijn we gegroeid van één naar vijf jeugdteams. Daarnaast hebben we een scholentoernooi georganiseerd, voor basisscholen in Ouderkerk. Dat wordt jaarlijks gehouden, tenminste, als corona geen roet in het eten gooit. De klassen geven we van in aanloop naar het toernooi lessen om ze de basis van het volleybal bij te brengen. Vooral het feit dat ik het samen met mijn zus kon doen, vond ik leuk. Ik mis haar ontzettend.”
Volleybal je zelf ook nog?
“Ja, een aantal jaar geleden ben ik weer begonnen. Mijn zus zat in het team, met een aantal vriendinnen. De meeste zijn de vijftig inmiddels gepasseerd, de rest is boven de dertig. We trainen één keer in de twee weken. We zijn al een aantal keer gepromoveerd.”
Hoe staat het met de populariteit van de sport?
“In deze regio doen de clubs het goed. Hoe het landelijk is, weet ik niet. Wel is het zo dat mensen minder snel lid worden van een club, vanwege de verplichtingen die er bij komen kijken. Zeker bij een teamsport moet je op elkaar kunnen rekenen. Mensen willen steeds vaker sporten op de momenten dat het hen uitkomt. Toch denk ik dat het voor kinderen goed is om aan een teamsport te doen. Je leert samenwerken, functioneren in een groep en je werkt samen ergens naartoe. Ik zie veel meiden die via de volleybal vriendinnen krijgen.”
Heb jij ook veel vrienden overgehouden aan de sport?
“Zeker, en ook hechte vriendschappen. Ik ben langer in het buitenland geweest dan in Nederland, maar de vriendschappen die ik met volleybalsters in Nederland heb opgebouwd, kon ik bij terugkomst zo weer oppakken.”
Wie nodig je uit voor het volgende gesprek?
“Jacqueline Kramer. Ik heb twee vragen: je hebt een eigen bedrijf in Ouderkerk, hoe ben je de coronacrisis doorgekomen? Jouw dochter Daphne heeft een hele ander keuze gemaakt wat werk en opleiding betreft, hoe komt dat?”
Naomi Heidinga


















