Na haar opleiding heeft ze eerst als verpleegkundige bij het OLVG gewerkt. Ze koos later voor het specialisme neonatologie. “Dat was een interne opleiding van vijftien maanden. In 2003 ben ik begonnen, in 2005 was ik klaar. Ik heb eerst bij de VU gewerkt en ben nu werkzaam bij het AMC, al gaan beide afdelingen fuseren. Midden in de coronacrisis zijn we bezig met het vormen van een alliantie.”

Wat voor kinderen zie je bij jullie op de afdeling?

“Dat zijn de allerkleinsten, vanaf 24 weken, tot kinderen die uit een voldragen zwangerschap komen, maar bij wie complicaties of ziektes zijn opgetreden. Het gaat om kinderen met een gewicht van 400 gram tot 4,5 kilo en alles wat er tussen zit.”

Waarom heb je voor dit specialisme gekozen?

“Het had al mijn interesse, alleen in het OLVG was er geen neonatologie IC. Bij onze oppasmoeder, die in het VU werkte, wel. Ze raadde me aan eens een kijkje te nemen, om te zien wat het werk inhield. Toen wist ik het: dit is het. Het werken met deze kwetsbare baby’s en hun ouders is heel bijzonder. Het is technisch en heel specifiek: je kunt de handelingen die je als verpleegkundige bij volwassenen doet niet 1 op 1 vertalen naar de behandeling van deze baby’s.”

Een uitdagend vakgebied dus?

“Ja, dat maakt het werk interessant, evenals het feit dat met je heel diverse mensen te maken hebt. Er is niet één type ouder dat te maken krijgt met te vroeg geboren kinderen. Het zijn mensen uit alle lagen van de maatschappij. Het gaat om mensen die voor het eerst kinderen krijgen, of bijvoorbeeld hun tiende. Ze komen overal vandaan. Soms zelfs uit het noorden van het land, als daar geen plek is op de neonatologie afdeling. Of toeristen die nog net voor het einde van de zwangerschap op vakantie gaan en verrast worden. Ook interessant aan de neonatologie is dat het een vakgebied in ontwikkeling is. Het is een relatief jong vakgebied, waar nog niet veel onderzoek is gedaan, zeker niet in het vergelijk met bijvoorbeeld algemene chirurgie. En onderzoek kost nu eenmaal tijd. Dat leidt regelmatig tot nieuwe inzichten, die onze werkwijze doen veranderen.”

Kun je een voorbeeld geven?

“Vroeger dachten we dat we alle kinderen aan de beademing moesten leggen, omdat de kinderen niet zelfstandig zouden kunnen ademhalen. Dat is niet zo, blijkt. Beademing kan juist schadelijk zijn. Daarom doen we dat nu niet, tenzij het niet anders kan. Ook kunnen we jongere kinderen behandelen. De grens lag in het verleden bij kinderen van 26 weken oud, kinderen van 25 weken waren een bespreekgeval. Die grens is nu opgeschoven naar de 24 weken. Maar we lopen nu wel tegen een definitieve grens aan, veel jonger dan 23 weken zal het niet worden. Als je al zolang meeloopt op een afdeling, zie je dit soort dingen veranderen. Dat is mooi om mee te maken.”

Dit werk brengt veel mooie maar ook heel verdrietige dingen met zich mee. Hoe ga je daar mee om?

“Ja, helemaal de afgelopen tijd was wat dat betreft een uitdaging. We zijn altijd heel eerlijk tegen ouders over de kansen van een kindje om het te halen. De ouders vragen enerzijds allemaal een andere manier van begeleiden, anderzijds is het rouwproces hetzelfde. Ouders hebben de behoefte om herinneringen te maken met hun kindjes, bijvoorbeeld door middel van foto’s. Daarvoor kunnen we stichting Make a Memory inschakelen, zij maken foto’s van ouders en hun (overleden) kindje en stellen die gratis beschikbaar. Ook opa’s en oma’s, broertjes en zusjes kunnen kennismaken en afscheid nemen van het kindje. De afgelopen maanden was dat echter anders. Buiten de ouders mochten we geen mensen toelaten op de afdeling. Dat maakte het extra zwaar.”

Hoe ga je om met de moeilijke momenten?

“Soms sta ik een kindje te verzorgen en hoor ik verderop ouders huilen op de afdeling omdat ze afscheid moeten nemen van hun kindje. Dat is slikken. Ook bij gesprekken met ouders staan de tranen me soms in de ogen. Aan de andere kant ben je professional en ben je inmiddels wat gewend. Met het team hebben we goede gesprekken en er is begeleiding beschikbaar. Op onze afdeling werken we al jaren met hetzelfde team, er is weinig verloop. Zo leer je elkaar kennen. Dat maakt dit werk ook mogelijk, je hebt steun aan elkaar. In een periode dat er achter elkaar een aantal kindjes overleed dat ik verzorgde, heb ik er een tijdje doorheen gezeten. Ik moest even afstand nemen.”

Je hebt zelf kinderen. Maakt dat het moeilijker?

“Het gaat weleens door je hoofd, zeker toen ze kleiner waren. Ik heb niet de makkelijkste kinderen, maar als ik na een zware nachtdienst thuis kom, maak ik altijd een rondje langs ze om ze een knuffel te geven. Ik voel me wat dat betreft bevoorrecht. Sinds ik kinderen heb, kan ik me nog beter inleven. Al geldt voor collega-verpleegkundigen zonder kinderen dat zij zich even goed kunnen inleven.”

Heeft de coronatijd naast het beperken van het bezoek nog verdere consequenties?

“We werkten altijd al volgens strenge hygiëne-eisen. De kinderen op onze afdeling hebben namelijk geen of een beperkte afweer. Je merkt nu wel dat de beschermingsmiddelen schaarser worden. Voorheen lagen er overal smoeltjes, maar die zijn nu naar de reguliere IC. We werken opeens met andere schorten omdat onze vertrouwde schorten op zijn. Als je nu iets bestelt, moet je langer wachten. We dachten altijd heel zuinig te zijn met het gebruik van beschermingsmiddelen, maar dat blijkt toch niet zo te zijn. Het is goed daar over na te denken. En we maken nu meer gebruik van diensten als Zoom. Als er vier van de zeven verpleegkundigen werken, zijn er drie thuis. Normaliter konden we nooit met zijn allen vergaderen. Nu werken we met Zoom en kan het toch, de drie thuis hoeven slechts in te bellen. Dat werkt veel efficiënter. Ongelofelijk dat we daar niet eerder op zijn gekomen.”

Wie nodig je uit voor het volgende gesprek?

“Venise Bruins, mijn danslerares. Ze geeft onder meer les bij DCF in Ouderkerk. Ik wil haar vragen hoe zij deze tijd is doorgekomen. Ze is bijvoorbeeld begonnen met videodanslessen, iets wat ze altijd al wilde doen.”

Naomi Heidinga